'Tuchtzaak Sulvaran is gemiste kans'

De drie aangeklaagde advocaten voor het
gerechtsgebouw in Willemstad | Foto: Dick Drayer
WILLEMSTAD - Bij twee uitspraken van 10 maart 2015 heeft de Raad van Appèl , de hoogste advocatentuchtrechter, uitspraak gedaan in de twee zaken betreffende klachten aan het adres van advocaten Sulvaran, Peterson en Eustatius en anderzijds aan voornoemde Sulvaran alleen.

De klachten tegen laatstgenoemden zijn ingediend door vier collega advocaten. Zij beklaagden zich over uitlatingen van Sulvaran c.s. in de media over mr. Fiévez, de Orde van Advocaten, mr. Frielink, rechters van Europese afkomst en over de Raad van Toezicht. De klachten gericht tegen Sulvaran waren ingediend door de Deken van de Orde van Advocaten en richtten zich op uitlatingen van mr. Sulvaran die gericht waren tegen een lid van het Hof, tegen het Hof in zijn geheel, tegen het openbaar ministerie en tegen de president van de Centrale Bank.

Hoewel de zaken in eerste aanleg inhoudelijk behandeld zijn door de Raad van Toezicht, is de Raad van Appèl niet tot inhoudelijke behandeling gekomen. De Raad besliste namelijk tot niet ontvankelijkheid van de klagers.  Auteur prof. mr. F.A.W. Bannier buigt zich in zijn annotatie in het CJB over deze ontvankelijkheidsvraag. De Achterkant van Curaçao publiceert die hieronder integeraal.


Na analyse van de Curaçaose situatie en een vergelijking met het Nederlandse advocatentuchtrecht, concludeert Bannier dat de Raad van Appèl een kans heeft gemist. In Nederland is het namelijk mogelijk dat de Deken een klacht indient in het algemeen belang. Volgens Bannier is dit ook verstandig. 

Door de uitspraak van de Raad van Appèl in de zaak van de Deken is een klacht in het algemeen belang door de Curaçaose Deken niet mogelijk wanneer een beledigde individu geacht kan worden zelf een klacht in te dienen. Een kans tot verrijking van de Curaçaose praktijk is volgens Bannier daarom blijven liggen.

download hier de documenten die bij deze zaak horen:
  1. Klacht tegen Sulvaran door Orde van Advocaten
  2. Klacht tegen Sulvaran c.s. door 4 advocaten
  3. Pleitnotitie 4 advocaten
  4. Pleitnotitie Sulvaran
  5. Pleitnotitie Peterson
  6. Aanvulling 1e termijn pleitnota 4 advocaten
  7. Uitspraak Raad van Appel
-0-0-0-

Prof. dr. F.A.W. Bannier |
Foto: www.baliebulletin.nl
Prof. mr. F.A.W. Bannier schrijft daarover het volgende:

Over de feiten die tot de klachten hebben geleid kan noch wil ik veel zeggen. Het valt mij wel op dat
de verwijten die aan de verweerders gemaakt worden ook hier te lande de wenkbrauwen hadden doen
fronsen. Zij zijn direct te plaatsen in het leerstuk van het ‘onnodig grievend’ zijn. Ik zou menen dat de strekking van de verweten uitingen op zich onder de grote vrijheid gebracht kan worden, die de advocaat heeft bij het verdedigen van zijn zaken, maar dat de vorm mij onnodig ruw en zelfs extreem voorkomt: kortom, onnodig grievend.

Ontvankelijkheid
Waar ik meer over wil zeggen is de vraag naar de ontvankelijkheid van de klachten. In zowel de
klacht van de vier klagers (zaken 1/2015 en 3/2015) als die welke de Deken had ingediend (zaak 2/2015) stuit de behandeling van de klacht af op de niet-ontvankelijkheid van de klagers. 

De tuchtrechter hanteert daarbij een redenering die hierop neerkomt: over ontvankelijkheid van klagers in het algemeen zegt de Landsverordening niets. (Terzijde: dat is juist en hoewel, anders dan in de Landsverordening, de Nederlandse Advocatenwet wel aandacht besteedt aan de procesrechtelijke kant van klachtbehandeling, wordt deze ontvankelijkheidsvraag hier ook niet geregeld.) 

De Raad van Appel (RvA) gaat verder met het doel van het tuchtrecht te omschrijven als ‘te kunnen reageren indien en zodra personen en instanties rechtstreeks betrokken zijn’. Over dat doel kan gemakkelijk een dissertatie geschreven worden. Ik ga daar dan ook hier niet diep op in, maar stel vast dat ik niet zo gelukkig ben met deze omschrijving. Ik zou denken dat het uitgangspunt van het tuchtrecht is een instrument te zijn om het gedrag van advocaten te corrigeren in het algemeen belang. Het is de taak van de advocaat de burger bij te staan bij het beschermen van zijn rechtspositie. 

Wanneer de advocaat daarbij tekortschiet faalt hij in het vervullen van deze, rechtstatelijk zo belangrijke, functie. De samenleving moet erop kunnen vertrouwen dat de advocaat dan tot de orde geroepen wordt en wel door de tuchtrechter. 

Verschillen
Nu zijn er wel enkele verschillen tussen de Curaçaose en de Nederlandse regelgeving: in Nederland
moet elke klacht bij de Deken worden ingediend. Er is geen rechtstreekse weg naar de tuchtrechter. 

Op Curaçao, zo schrijft de RvA zelf, kan de tuchtrechter zelfstandig ingrijpen. Klachten hoeven niet dwingend via de Deken te lopen. Dit lijkt mij een consequentie te zijn van het feit dat de Nederlandse Orde van Advocaten een publiekrechtelijke organisatie is waarvan alle advocaten van rechtswege lid zijn, terwijl op Curaçao sprake is van een privaatrechtelijke organisatie waarvan, naar ik aanneem, niet elke advocaat lid is.

De RvA analyseert, in rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7, de rol van de Deken dan wel die van de Orde, maakt geen verschil tussen beide, en stelt vast dat deze de nakoming van de advocatenregels moet
bewaken. Daarmee kan ik het ook vanuit Nederlands standpunt geheel eens zijn.

Algemeen belang
Waar loopt het mis voor het viertal klagers? Bij het gegeven dat zij geen eigen belang hebben bij de
klacht. Zij zijn, terecht of niet, verontwaardigd over de uitingen van de verweerders maar dat is niet voldoende om te kunnen klagen; dat hadden degenen op wie de uitingen betrekking hadden zelf kunnen doen. Klagen in het algemeen belang wordt niet toegestaan.

Dit is ook in Nederland het geval. Er bestaat uitgebreide jurisprudentie op dit punt. Een bloemlezing
daarvan is te vinden in Advocatentuchtrecht van S. Boekman (par. IV.4 in de door mij verzorgde
vijfde druk). De grote lijn die daaruit getrokken kan worden zegt dat voor het indienen van een klacht de klager een eigen belang moet hebben en dat klagen in het algemeen belang alleen door de Deken kan geschieden. Zo is ergernis over het gedrag van een advocaat ten opzichte van een derde geen grond tot klagen. Ook niet als het om gedrag gaat dat, ook in ruimere zin, een smet op de advocatuur werpt. 

De Deken 
In dat geval gaat echter het tweede deel van wat ik zojuist bij de ‘grote lijn’ schreef op: dan mag de Deken klagen. Hier kan een verband gezien worden met artikel 26 Advocatenwet: ‘De algemene raad en de raden van de orde (voorheen de raden van toezicht) bevorderen een behoorlijke uitoefening van de praktijk (…).’ Dit bevorderen is niet afhankelijk van enige andere omstandigheid. De Deken kan bij de nakoming van deze taak zelfstandig klagen, het zogeheten dekenbezwaar,

Bij het niet-ontvankelijk verklaren van de Deken in de tweede zaak overwoog de RvA dat de betroffen personen zelf in staat geacht moeten worden te klagen. Dan is er geen rol voor de Deken weggelegd. 

Verstandig systeem
Met het eerste kan men het vlot eens zijn, maar bij de getrokken consequentie hiervan lopen de Nederlandse en de Curaçaose wegen duidelijk uiteen. Juist wanneer een getroffen partij niet zelf wil klagen – en ik ben het met de RvA eens dat daar goede en te eerbiedigen redenen voor kunnen bestaan – blijft er soms een feitencomplex over dat het belang of het aanzien van de Orde kan schaden. Dan moet het oordeel van de tuchtrechter ingeroepen kunnen worden en dat kan dan in Nederlandse advocatentuchtrecht dus gedaan worden door de Deken. 

De tuchtrechtelijke aanpak van grove schendingen van het aanzien van de Orde (zo U wilt ‘de eer van de stand’) is dus niet afhankelijk van het al dan niet klagen door de eerstbetrokkene. En dit is, naar mijn overtuiging, een verstandig systeem.

Waken
In het licht van het voorgaande zou de eerste zaak in Nederland op gelijke wijze afgelopen zijn: niet-ontvankelijk wegens afwezigheid van een eigen belang van de klagers. Ergernis op zich is immers
niet genoeg om te kunnen klagen (zelfs als die ergernis op zich zeer begrijpelijk is). Men kan het hiermee eens zijn of niet. Een duidelijke leerstellige reden voor deze regel is er eigenlijk niet, maar in de praktijk wordt zo bewerkstelligd dat de toch al drukbezette tuchtrechtspraak nog uitvoerbaar blijft.
Bovendien vormt het tuchtrecht een uitzondering op het gewone recht en uitzonderingen moeten niet
extensief worden uitgelegd. 

In de tweede zaak echter, ben ik ervan overtuigd dat de Nederlandse tuchtrechter de Deken wel ontvankelijk zou hebben geoordeeld. De Deken bewaakt het algemeen belang of er mogelijke andere klagers zijn of niet. Juist omdat de Deken tot taak heeft te waken over een behoorlijke uitoefening van de advocatenpraktijk heeft hij een belang – en we mogen wel zeggen zelfs een plicht – bij het indienen van een klacht wanneer naar zijn mening op die behoorlijkheid een inbreuk wordt gemaakt.

Toetsen 
Zou dit ook niet aanbeveling verdienen voor Curaçao? Ik denk van wel en deze zaken sterken mij daarin. Zulke felle aanvallen op rechters en de Deken (en anderen) met gebruikmaking van mijns inziens onnodig grof taalgeweld behoort door de tuchtrechter getoetst te kunnen worden. Dat is in het belang van de gehele advocatuur en niet alleen in het belang van de direct getroffenen. De RvA geeft zelf al een opstapje naar wat ik maar noem het Nederlandse systeem van dekenbezwaren in rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 in de besproken uitspraken. Met die overwegingen kan men het alleen maar van harte eens zijn. Met name in uitspraak 2/2015 had dit kunnen –en mijns inziens zelfs moeten – leiden tot ontvankelijkheid van de Deken. Dan was de Curaçaose rechtspraktijk verrijkt met de mogelijkheid in het algemeen belang te klagen, los van het al dan niet klagen van een beledigde particulier. Mij lijkt de uitkomst in deze zaak 2/2015 een gemiste kans.

Prof. mr. F.A.W. Bannier*

* Een caveat als opmerking: mijn mening is vooral gebaseerd op het Nederlandse recht. Ik heb kennisgenomen van de relevante regelgeving van Curaçao maar ik durf niet te beweren dat ik die daardoor ook werkelijk beheers.